11 juli: “Heeft België Vlaanderen geholpen?”

Deze 11 julitoespraak gehouden door Veerle Wouters in Hove (8 juli) en door Hendrik Vuye in Schilde (5 juli). De tekst werd tevens gepubliceerd op Doorbraak.

Of België gepoogd heeft de Vlaamse identiteit te vernietigen, is naast de kwestie, want het heeft Vlaanderen weinig goed gedaan.

Beste Vlaamse vrienden,

Heeft de Belgische revolutie van 1830 gepoogd om de Vlaamse identiteit te vernietigen? Het is en blijft een discussiepunt. Historici zijn hierover verdeeld. Het is een thema dat uitvoerig aan bod zal komen in een tweede boek dat wij voorbereiden. In dit tweede boek nemen we in plaats van ‘De maat van de monarchie’, ’De maat van België’. We bespreken de institutionele conflicten tussen Vlamingen en Franstaligen vanaf 1830 tot heden.

Het uitgangspunt van ons betoog, is een brief van Charles Rogier uit 1832. Rogier is één van de stichters van de nieuwe staat België. Dat schrijven is gericht aan Jean-Joseph Raikem, minister van Justitie in de eerste regering van Leopold I. In deze brief stelt Charles Rogier dat een staat slechts kan overleven indien hij een gemeenschappelijke taal heeft. Evident heeft hij het Frans voor ogen. Om dat doel te bereiken moet men tijdelijk aan de Vlamingen het recht ontzeggen om openbare ambten te vervullen. Zo dwingt men de Vlamingen Frans te leren en zal – dat zijn de woorden van Rogier – het Germaanse element in België worden uitgeroeid. Zo wil Rogier een Belgische identiteit in het leven roepen.

De originele tekst van deze brief is nooit gevonden. Sommigen geloven rotsvast dat de brief echt is. Anderen zijn genuanceerder. Zelfs Hendrik Elias stelt vragen bij de echtheid van het schrijven. Franstalige historici zijn wel categoriek. Jean Stengers en Eliane Gubin – professoren aan de ULB – stellen dat het om een mythe gaat van de Vlaamse Beweging. Deze auteurs omschrijven de taalpolitiek van de negentiende eeuw als ‘pragmatisch’. Het is maar wat men verstaat onder ‘pragmatisch’.

Wellicht zal de brief van Charles Rogier nooit worden gevonden. Dit hoeft echter niet per se te betekenen dat hij niet heeft bestaan. Nu niemand nog kan achterhalen of de brief echt heeft bestaan, is er maar één oplossing: nagaan hoe het in de feiten is gesteld met het Nederlands kort na de Belgische revolutie.

Een eerste vraag die we moeten stellen is of de inhoud van de brief strookt met de politieke opvattingen die Charles Rogier in die periode verdedigt. Dit is zonder enige twijfel het geval. In 1835 pleit Rogier voor één Belgische universiteit in plaats van een universiteit in Vlaanderen en een universiteit in Wallonië. Zijn argumentatie is de eenvoud zelve. Enkel op deze manier kunnen we een ‘âme nationale’, een Belgische ziel bekomen. De bezorgdheid die Rogier uit is dezelfde als in de brief.

Een tweede vraag: is het zo dat Vlamingen worden benadeeld bij het toekennen van posten? Dit valt niet makkelijk te achterhalen. Toch zijn er tekenen aan de wand. In 1831 zal volksvertegenwoordiger Alexander Rodenbach, dit in de Kamer aanklagen. Op 380 benoemingen in de centrale administratie zijn er maar 22 Vlamingen. Een cijfer dat kan tellen. Blijkbaar is er toch iets aan de hand.

Laten we nu even de beslissingen bekijken die de nieuwe staat neemt in de eerste maanden van haar bestaan. Het voorlopig bewind en het nationaal congres beslissen dat de wetgeving in het Frans wordt gepubliceerd. Er kan geen twijfel over bestaan dat het Frans de bestuurstaal wordt van de nieuwe staat. In oktober 1830 beslist het voorlopig bewind dat het Frans de militaire bestuurstaal is en de taal van het militair bevel.

Deze eerste beslissingen van de nieuwe machthebbers laten niets aan de verbeelding over. Het Frans is de taal van het nieuwe België. 

Men schaft de Nederlandstalige kamer bij het hof van beroep te Luik, ingesteld door Willem I om de beroepen tegen de vonnissen van de Limburgse rechtbanken te behandelen, af. Deze zaken worden voortaan in het Frans afgehandeld.

Men weert het Nederlands uit het universitair en middelbaar onderwijs. Dit onderwijs gebeurt in de taal die het beste geschikt is voor de studenten. Dat dit het Frans is, behoeft geen twijfel.

Dit vooroordeel ten opzichte van het Nederlands als onderwijstaal zal zeer lang blijven bestaan. Nog in 1906 stelt kardinaal Mercier dat middelbaar en universitair onderwijs in het Nederlands niet mogelijk is. Het zou de Vlamingen herleiden tot een barbaarse staat van achterlijkheid. De beschaving vereist dat dit gebeurt in het Frans. Universitair onderwijs in het Nederlands komt er pas in 1930, na 100 jaar België, met de vernederlandsing van de UGent. België heeft Vlaanderen echt niet geholpen.

In 1831 krijgt België een Grondwet. Artikel 23 (heden artikel 30) bepaalt dat er taalvrijheid is. Dit is een reactie tegen Willem I en zijn zogenaamde ‘taaldwang’. Wat was die taaldwang van Willem I? Hij legt het Nederlands op als taal in bestuur en gerecht in de Vlaamse provincies. In de Waalse provincies daarentegen verandert er niets. Het Frans blijft er aan zet. De taaldwang van Willem I is dus nooit een taaldwang geweest voor de Walen. Nooit hebben Vlamingen de Walen verplicht Nederlands te leren. Het omgekeerde is wel het geval. België heeft Vlaanderen verfranst.

Rond 1840 – na tien jaar België – gebruiken de meeste rechtbanken en besturen nog uitsluitend het Frans in de geschreven administratie, zo schrijft professor Herman Van Goethem. Dit is voornamelijk het geval in de grote steden en vanaf arrondissementeel niveau. Het Frans is de superieure cultuurtaal en de hoge statustaal die ook is ingeburgerd bij de Vlaamse elite.

Wat betekent die taalvrijheid in de Grondwet? Eenvoudig, het gebruik der talen is vrij. Maar er zijn uitzonderingen. De wetgever kan het taalgebruik regelen van de ‘handelingen van het openbaar gezag’ en in ‘gerechtszaken’.

Het loont ook de moeite om na te gaan waarom de wetgever het taalgebruik kan regelen in bepaalde gevallen.

Parlementslid Jean Joseph Raikem – de man aan wie Rogier zijn beruchte brief schrijft – ligt aan de basis van de mogelijkheid om het taalgebruik te regelen voor handelingen van het openbaar gezag. Hij vindt namelijk dat de wetgever moet opleggen dat de overheidshandelingen in één taal – evident het Frans – worden gesteld.

Bruggeling Paul Devaux dient een amendement in dat het mogelijk maakt om het taalgebruik in gerechtszaken te regelen. Hij vindt het onaanvaardbaar dat advocaten die alleen Frans kennen, het slachtoffer worden van Vlaamse confraters die in het Nederlands willen pleiten. De wetgever moet dus de eentalig Franstalige advocaten beschermen tegen de pesterijen – het woord is van Devaux – van Vlaamse advocaten.

Taalvrijheid is dus geen echte taalvrijheid. Soms moet deze taalvrijheid wijken voor taaldwang, namelijk het opleggen van het Frans. Dit is wat de grondwetgever in 1831 voor ogen heeft. Het Frans moet ook in Vlaanderen kunnen opgelegd worden. Het is pas in de jaren dertig van de vorige eeuw, na 100 jaar België, dat hieraan een einde komt met de tweede generatie taalwetgeving.

Hoe zit het met de taalvrijheid in de praktijk?

In het parlement is de voertaal Frans, ook voor de verkozenen uit Vlaanderen. In de Kamer legt Jan de Laet pas in 1863 als eerste de eed af in het Nederlands. Pas in 1888 zal Edward Cooremans voor het eerst een korte tussenkomst houden in het Nederlands. In de senaat is het zelfs wachten tot 1890 vooraleer daar enkele woorden Nederlands weerklinken. Frans is de voertaal in het negentiende-eeuwse parlement. Zelfs de debatten over de taalwetten die Vlamingen beperkte rechten verlenen verlopen – eind negentiende eeuw – in het Frans.

Meer nog, zelfs na 100 jaar België, in de zitting 1929-’30, worden nog maar 22% van de tussenkomsten gehouden in het Nederlands. Het Frans blijft lang de voertaal in het parlement. Het tij zal pas keren eind  jaren 50 van de vorige eeuw, na 130 jaar België. Ook hier heeft België Vlaanderen niet geholpen.

De verfransing van de Belgische bestuursniveaus is dus al snel na de revolutie van 1830 een feit. Hoe kan dat toch? In de Grondwet staat er toch dat er taalvrijheid is?

Betekent dit dat de talen gelijkwaardig zijn? Geenszins want de Grondwet wordt, ondanks de taalvrijheid, alleen in het Frans afgekondigd. De Vlamingen zullen moeten wachten tot 1967 – dit is 136 jaar – vooraleer er ook een officiële tekst bestaat van de Grondwet in het Nederlands. Ook hier heeft België Vlaanderen niet geholpen.

Maar hoe wordt die taalvrijheid geïnterpreteerd door de rechtscolleges?

Een belangrijk cassatiearrest komt er in 1873. Wat zijn de feiten. Jozef Schoep doet aangifte van de geboorte van zijn kind in het Nederlands, dit te te Sint-Jans-Molenbeek. De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert akte te nemen van de aangifte, daar de voorgedrukte formulieren die hij moet invullen in het Frans zijn opgesteld. Jozef Schoep verlaat boos het gemeentehuis. Hij wordt vervolgd voor de strafrechtbanken wegens de niet-aangifte van de geboorte van zijn kind.

Voor het hof van cassatie willen de advocaten van Schoep pleiten in het Nederlands. Ze beroepen zich op de taalvrijheid. Het hof van cassatie weigert dit. Een advocaat moet, volgens het hof, steeds pleiten in een taal die de rechters begrijpen. Nu zijn er sommige raadsheren die geen Nederlands begrijpen en dus moeten de advocaten in het Frans pleiten. Waar is de taalvrijheid? Dit is net het omgekeerde, namelijk taaldwang: men dwingt de advocaten om Frans te spreken.

Komen we tot de grond van de zaak. Mag Schoep aangifte doen van de geboorte in het Nederlands? Het hof beslist dat niet alleen de burger, maar ook de ambtenaar geniet van de taalvrijheid. Op grond van zijn taalvrijheid kan de ambtenaar dan ook weigeren om Nederlands te spreken. De ambtenaar mag de burger dus het gebruik van het Frans opleggen. Dit is taaldwang, terwijl de Grondwet net taalvrijheid huldigt. Het hof van cassatie beschermt de privilèges van de Franstalige bourgeoisie.

Hoe verloopt het verder? Het eerste pleidooi in het Nederlands voor het hof van cassatie komt er pas in 1932. Opnieuw, na honderd jaar België. Nogmaals, België heeft Vlaanderen niet geholpen.

Wat was de taalvrijheid? Die taalvrijheid is het recht om overal, ook in Vlaanderen, Frans te spreken. Taalvrijheid geldt voor de Franstaligen, nauwelijks voor de Vlamingen. Van enige gelijkheid tussen Frans en Nederlands is geen sprake. Dat deze situatie bij de Vlamingen de eis tot taalwetgeving heeft gevoed, hoeft geen verwondering.

Hoe heeft de Vlaamse identiteit dan vorm gekregen in dat Franstalige België? In 1856 wordt de Grievencommissie opgericht. Ze moet een inventaris opmaken van de Vlaamse grieven. Het initiatief komt van de Vlaamsgezinde regeringsleider Pieter de Decker. De Grievencommissie komt er niet zomaar. Ze is een bliksemafleider. Ze moet ervoor zorgen dat de 25e verjaardag van de eedaflegging van Leopold I zonder wanklanken verloopt.

In 1857 dient de commissie haar verslag in. Pas in 1859 zal het verslag worden gepubliceerd, daar de regering van Charles Rogier – opnieuw hij – de publicatie staatsgevaarlijk acht.

De Grievencommissie bundelt voor het eerst de Vlaamse verzuchtingen. Ze levert grondig en degelijk werk. Haar verslag is een uitgebreide beschrijving van een verfranst Vlaanderen: onderwijs, leger, bestuur, diplomatie… Het straatbeeld is volledig verfranst. Plakbrieven zijn ook in Vlaanderen uitsluitend Franstalig. De spoorwegen roepen de namen van de stations uitsluitend af in het Frans. Oproepingsbrieven voor verkiezingen worden uitsluitend in het Frans verstuurd. Franstalige oproepingsbrieven voor verkiezingen, we kennen het fenomeen nog steeds, namelijk in sommige Vlaamse gemeenten in de rand rond Brussel.

De Grievencommissie stelt niet alleen een inventaris op, ze formuleert ook voorstellen. Wat stelt de commissie voor?

-alleen Nederlands in het lager onderwijs;
-gelijkstelling van Frans en Nederlands in het middelbaar onderwijs;
-het oprichten van leerstoelen Nederlandse taal- en letterkunde aan de twee rijksuniversiteiten;
-het splitsen van de ‘Académie royale’ in een Franstalige en Nederlandstalige afdeling;
-het centraal bestuur moet brieven beantwoorden in de taal waarin ze zijn geschreven;
-het vertalen van alle stukken uitgaande van het centraal bestuur en bestemd voor Vlaanderen;
-het gebruik van het Nederlands in het gerecht;
-splitsen van het leger in Vlaamse en Waalse regimenten.

De besluiten van de commissie zullen uitgroeien tot het credo van de Vlaamse Beweging. Toch valt op dat de commissie nog steeds redeneert binnen een Belgische context. De Grievencommissie wil zelfs uitdrukkelijk de nationale eenheid bewaren. De aanbevelingen van de commissie bannen het Frans niet uit Vlaanderen. In vele voorstellen kan het gebruik van het Frans naast het Nederlands blijven bestaan. Kenmerkend is het voorstel om het leger te splitsen, maar dan wel met de aanbeveling om de Vlaamse regimenten te kazerneren in Wallonië en de Waalse regimenten in Vlaanderen. Dit moet, volgens de Grievencommissie, ervoor zorgen dat de nationale eenheid bewaard blijft en dat er een verzoening ontstaat. Ten slotte huldigt de Grievencommissie een belangrijke stelregel: de Walen worden niet verplicht om Nederlands te leren.

Hoe wordt het verslag van de Grievencommissie onthaald? Regeringsleider Charles Rogier spreekt van een staatsgevaarlijke aanklacht. De commissie zet de bevolkingsgroepen tegen elkaar op. Het verslag zaait tweedracht in het eendrachtige België, nog steeds volgens Charles Rogier.

De regering-Rogier zal een tegenverslag opstellen, waarin alle grieven worden weerlegd. Er zijn geen problemen, stelt dat verslag. We kunnen het volledige tegenverslag van de regering hier niet bespreken. We zullen ons beperken tot één punt: justitie.

De regering heeft hierover een advies gevraagd aan procureur generaal bij het hof van cassatie Mathieu Leclercq. Dat is de hoogste magistraat van het land. Volgens Leclercq zijn er geen problemen. Hij schrijft:

er zijn in België twee volkeren. De taal van het Waalse volk is een universele taal, de taal van het onderwijs, de taal van de wetenschap en het recht. Het is één van de grote Europese talen en synoniem voor de vooruitgang van de beschaving;
daarnaast is er de taal van het Vlaamse volk. Alle Vlamingen die een beetje onderwijs hebben genoten, beheersen het Frans;
het Nederlands zal steeds vreemd blijven aan de Walen (op dit punt heeft Leclercq gelijk gekregen);
om deze redenen is het Frans de gemeenschappelijk taal in België. Wie wil dat er twee talen zijn ondermijnt de Belgische eenheid en de Belgische nationaliteit.
Daarom hebben, volgens Leclercq, Vlamingen en Walen begrepen dat men best de taal gebruikt die diegene is van het onderwijs, de literatuur, de wetenschap en de wetten. Deze taal is evident het Frans.

Het Frans is dus een superieure taal, het Nederlands een dialect. In 1859 zal Charles Rogier in de Kamer verklaren dat hij de Vlaamse kwestie definitief heeft opgelost. Opgeruimd staat netjes, alle problemen zijn van de baan. Niets is minder waar. Zelden heeft een toppoliticus zich zo vergist.

Het is een wonder dat onze Vlaamse identiteit het negentiende-eeuwse België heeft overleefd.Nadien komen er drie generaties taalwetten: eind negentiende eeuw, de jaren dertig van de vorige eeuw en ten slotte 1962-63 wanneer de taalgrens wordt vastgelegd. Vervolgens komen er zes staatshervormingen. Vlaanderen heeft instellingen gekregen, een parlement en een regering. Vlaanderen heeft ook vele bevoegdheden. Er zijn dus heel belangrijke stappen gezet.

Maar toch. België heeft Vlaanderen alvast niet geholpen. België heeft Brussel verfranst. Dat staat vast.

Nog steeds is de taalgrens geen volwaardige taalgrens, er zijn faciliteiten in bestuurszaken en in gerechtszaken. Vlaanderen is zelfs verplicht om Franstalig onderwijs te organiseren in de zes randgemeenten rond Brussel en de taalgrensgemeente Ronse. Van wederkerigheid is binnen België zelden sprake. Grote delen van Vlaams-Brabant zijn begiftigd met taalfaciliteiten in gerechtszaken. Voor de Vlamingen in Waals-Brabant zijn er geen faciliteiten. Er is Franstalig onderwijs in Vlaanderen, maar er is geen Nederlandstalig onderwijs in Wallonië. Iedereen kent het trieste lot van het schooltje te Komen.

Na zes staatshervormingen zijn de bevoegdheden versnipperd. Meer nog, ze zijn bijzonder versnipperd. Er is nood aan homogene bevoegdheden. Ook de bijzondere financieringswet is ongunstig voor Vlaanderen en zorgt voor massale transfers. Volgens het onderzoeksinstituut CERPE van de universiteit van Namen – een onverdachte bron –  ontvangt Brussel jaarlijks 513 miljoen euro aan Vlaams geld en Wallonië liefst 7,3 miljard euro. Dit is een totaal van 7,8 miljard euro aan transfers.

Vlaanderen heeft een te beperkte fiscale autonomie. De inkomstenverantwoordelijkheid van Vlaanderen bedraagt slechts 34,2% volgens de Leuvens econoom Theo Peeters. Ter vergelijking: de inkomensverantwoordelijkheid van de gemeenten zit rond de 50%.

We hebben reeds een lange weg afgelegd. Maar er is nog veel werk aan de winkel. We zijn over halfweg, maar de aankomst is helemaal nog niet in zicht. België heeft Vlaanderen echt niet geholpen. Vlaanderen heeft wel het recht om Vlaanderen te worden. Wij hebben de plicht om daar met zijn allen aan te werken. Laat dat de boodschap zijn van deze 11 juli.

-Veerle Wouters en Hendrik Vuye