En marche, mais dans quelle direction?

Waait er een nieuwe wind door Frankrijk? Dit is alvast de indruk die men krijgt na de verkiezing van Emmanuel Macron tot president, versterkt door zijn grote, doch kleiner dan voorspelde, overwinning bij de parlementsverkiezingen. Het lijkt dat de traditionele politieke partijen en de particratie schaakmat staan. Maar is dit wel zo? Zullen al die nieuwe verkozenen enige inbreng hebben? Vuye en Wouters durven het te betwijfelen in een opiniestuk op Doorbraak.be.

De Franse Grondwet kan aanleiding geven tot twee totaal verschillende politieke regimes. Indien de president ook de parlementsverkiezingen wint, dan is hij de echte regeringsleider. Hij bepaalt het beleid. Dit is de comfortabele positie van Macron. Verliest hij de parlementsverkiezingen, dan moet hij samenleven met een eerste minister van een andere politieke kleur. Dit is de ‘cohabitation’. In dat geval is de eerste minister de sterke man. Het is de presidenten Mitterrand en Chirac overkomen.

Zal Emmanuel Macron dan geen rekening moeten houden met de Assemblée nationale? Laten we om deze vraag te beantwoorden even de bevoegdheden van dit parlement bekijken.

De meeste grondwetten sommen de bevoegdheden van de uitvoerende macht op. Alle andere politieke bevoegdheden liggen bij het parlement. Niet zo in Frankrijk. De bevoegdheden van het parlement worden exhaustief opgesomd. Fundamentele vrijheden, burgerlijk recht, strafrecht, fiscaliteit enzovoort …behoren tot het ‘domaine de la loi’. Alle andere bevoegdheden komen toe aan de uitvoerende macht. Het parlement heeft in Frankrijk minder bevoegdheden dan in België.

De Franse regering kan bovendien aan het parlement vragen om te regeren bij ‘ordonnances’. Dan delegeert het parlement nog meer bevoegdheden aan de regering. Deze manier van regeren sluit nauw aan bij wat we in België kennen als bijzondere machten, waar de regering-Martens-Gol in de jaren 80 gul gebruik van heeft gemaakt.

Dit is net wat Macron heeft aangekondigd te zullen doen. De eerste wet waarover de nieuw verkozen Franse parlementsleden zullen stemmen, is een wet waarbij zij hun bevoegdheden nog verder aan banden leggen. Het Franse parlement zal zichzelf grotendeels buiten spel zetten. Mooi vooruitzicht voor de nieuwe verkozenen die er met volle moed aan beginnen.

Nemen de volksvertegenwoordigers dan toch een initiatief, dan kan de regering de ‘irrecevabilité financière’ inroepen. Elk voorstel van een parlementslid dat de overheidsinkomsten vermindert of de uitgaven doet stijgen, is onontvankelijk. In de praktijk wordt dit vaak ingeroepen om amendementen de pas af te snijden.

Gaat het om ontwerpen van de regering, dan kan deze de ‘vote bloqué’ vragen. Dit wil zeggen dat alleen amendementen van de regering of goedgekeurd door de regering ontvankelijk zijn. Het parlement kan dus alleen maar stemmen over de tekst van de regering, zonder enige eigen inbreng.

Nog straffer is het in Frankrijk beruchte artikel 49, lid 3 van de Grondwet. De eerste minister kan de vertrouwensvraag koppelen aan een ontwerp van de regering. In dat geval is dat ontwerp aangenomen, zelfs zonder dat het parlement stemt. U leest goed: zonder dat het parlement stemt. Het enige wat de Assemblée nationale kan doen, is een motie van wantrouwen tegen de regering indienen. De parlementsleden kunnen dus kiezen: ofwel doen ze niets en is de wet aangenomen, ofwel stemmen ze over een motie van wantrouwen, maar dan valt de regering. Uittredend eerste minister Manuel Valls heeft deze procedure maar liefst zes maal gebruikt, maar als presidentskandidaat pleitte hij plots voor de afschaffing van artikel 49, lid 3. Wat lijkt Franse politiek soms sterk op Belgische.

Ten slotte is er nog de grondwettelijke noodtoestand, het beruchte artikel 16. Het gaat hier om een ‘politieke noodtoestand’, niet te verwarren met de noodtoestand wanneer de openbare orde wordt bedreigd, bijvoorbeeld in geval van terreuraanslagen.

Wanneer de instellingen van de Franse republiek, de onafhankelijkheid van de natie, de integriteit van het grondgebied of de uitvoering van internationale verplichtingen ernstig bedreigd worden, kan de president alle maatregelen nemen die de omstandigheden vereisen. De president beslist hier alleen. De eerste minister en de voorzitters van de parlementen en het grondwettelijk hof (conseil constitutionnel) mogen de president alleen adviseren. Deze ‘presidentiële dictatuur’ gaat zo ver, dat ze nog nooit is gebruikt. Mitterrand heeft in 1993 getracht deze grondwettelijke noodtoestand te laten schrappen, maar het is hem niet gelukt.

De inbreng van de nieuwe verkozenen zal dus heel beperkt zijn. Velen zullen ontgoocheld zijn, dit kan moeilijk anders.

Op papier verschilt het Franse systeem grondig van wat wij in België kennen. In de praktijk zijn er nauwelijks verschillen. Het Belgische parlement is een papieren tijger met veel bevoegdheden. In de praktijk volgen de Kamerleden het ‘stemadvies’ – zo wordt dit omschreven in het parlementaire jargon – van de partijhoofdkwartieren. In België moet alles door het parlement goedgekeurd worden, maar het resultaat is op voorhand bekend. De meerderheid stemt gedwee de compromissen afgesloten binnen de regering.

Tekenend is een incidentje vorige week in de Commissie Financiën. Minister van Begroting Sophie Wilmès (MR) geeft de instructie dat enkele voorstellen van parlementsleden niet goedgekeurd mogen worden, want ze gaan geld kosten. En ze worden niet goedgekeurd. In feite is dit niets anders dan een ‘irrecevabilité financière’ zoals dit in de Franse Grondwet staat.

Toch is er een verschil. In de Franse Grondwet zit de almacht van de regering voor een groot stuk ingebakken. De regering regeert, de Assemblée nationale is meestal maar een toeschouwer. Nu Macron over een comfortabele meerderheid beschikt, zal dit zeker zo zijn. In België hoéft het zo niet te zijn. Strikt juridisch ligt de macht bij de Kamer. De particratie is dus geen juridische fataliteit, maar wel een politieke realiteit. De Belgische Grondwet dateert dan ook van 1831, en toen bestonden er nog geen politieke partijen. Maar de partijen hebben intussen wel het laken naar zich toegetrokken. Ze eigenen zich jaarlijks 70 miljoen euro toe aan partijfinanciering. Ze gedragen zich als financiële concerns. Opboksen tegen die partijen is een welhaast onmogelijke opdracht. En toch, het opruimen van de particratie is de uitdaging van de toekomst.