Vuye: “Niet verbindingsofficier Joris maar minister Jambon heeft geblunderd”

Enkele dagen na de aanslagen van 22 maart 2016 beschuldigt minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA) verbindingsofficier Sébastien Joris ervan “geblunderd” te hebben. Een zware beschuldiging die Joris’ vermoeden van onschuld én levenskwaliteit heeft geschonden. Maar tegen zulke uitspraken heeft de burger geen enkele rechtsbescherming, hij kan dit alleen ondergaan. In de Kamer dienen Vuye en Wouters een motie in om dit tegen te gaan.

Voor de Vuye&Wouters-fractie zijn mensenrechten belangrijk. Hoe zit het, in het licht van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM), met de rechtsbescherming van de verbindingsofficier Sébastien Joris? Tegen de heer Joris werden in het parlement zware beschuldigingen geuit door minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon. Dit alles op 25 maart, dus pas drie dagen na de aanslagen. Op dat moment waren zeker alle gegevens niet bekend. De minister neemt het woord “geblunderd” in de mond. Van enige nuance of terughoudendheid is er geen sprake, wat overigens in schril contrast staat tot de verklaringen van minister van Justitie Koen Geens diezelfde dag in de Kamer.

Bekijk hier het interview met Hendrik Vuye in Villa Politica op één.

Lees hieronder de integrale tussenkomst van Hendrik Vuye namens de Vuye&Wouters-fractie op het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart 2016 in de plenaire vergadering.

Mijn fractie stelt vast dat de heer Joris zich naar Belgisch recht op geen enkele manier kan verdedigen tegen dergelijke beschuldigingen:

  • Er wordt tegen hem geen tuchtprocedure opgestart, dus hij kan zich niet verweren voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter.
  • Tegen de minister van Binnenlandse Zaken kan hij geen burgerlijk rechtsgeding opstarten, want de minister valt onder de ministeriële onverantwoordelijkheid (art. 101, lid 2 Grondwet): geen minister kan worden vervolgd naar aanleiding van een mening uitgebracht in de uitoefening van zijn ambt. Een strafklacht is evenmin mogelijk.
  • Volgens het “sektenarrest” van het Hof van Cassatie – waar ik in een andere hoedanigheid veel kritiek heb op geuit, terechte kritiek meen ik nog steeds – is ook een vordering tot schadeloosstelling tegen de Belgische Staat niet mogelijk (Cass., 1 juni 2006, C.05.0494.N/1).
  • De heer Joris wordt uitvoerig en meermaals gehoord door de parlementaire onderzoekscommissie, maar een parlementaire onderzoekscommissie kan geen individuele verantwoordelijkheden vaststellen. Ze kan de heer Joris dus ook niet witwassen. De parlementaire onderzoekscommissie stelt dit ook in haar besluit (Doc 1752/08, nr. 102).

“Dit heeft een aanzienlijke impact gehad op mijn leven en dat van mijn naasten.” – Sébastien Joris

Intussen is het wel zo dat de heer Joris en zijn zogenaamd “geblunder” ruim in de media aan bod zijn gekomen. Niemand kan de impact van die woorden ontkennen op het leven van de heer Joris. Toch blijkt dat de heer Joris alle regels heeft nageleefd en dit na een grondig onderzoek door de commissaris-generaal. Had hij daadwerkelijk “geblunderd”, dan kunnen we er toch vanuit gaan dat er tegen hem een tuchtprocedure zou zijn opgestart?

In het arrest Allenet de Ribemont tegen Frankrijk (10 februari 1995) van het EHRM gaat het over een Minister van Binnenlandse Zaken die zware beschuldigingen uit ten opzichte van een burger. Nadien wordt deze burger vrijgesproken. Het Europees Hof oordeelt dat de minister door zijn uitspraken het vermoeden van onschuld heeft geschonden. Het vermoeden van onschuld kan dus geschonden worden, zelfs indien betrokkene nadien wordt vrijgesproken.

Dit geldt ook voor de heer Joris. Er werd tegen hem geen tuchtprocedure ingesteld, maar dit belet niet dat het vermoeden van onschuld te zijnen opzichte is geschonden: “blunderen” is een zwaar woord. Net als in de zaak-Allenet de Ribemont gaat het om een uitspraak gedaan zonder enige reserve en die van die aard is dat het publiek gelooft dat de heer Joris een zware fout heeft begaan. Nadien blijkt echter dat dit niet het geval is.

Wat mijn fractie betreurt is dat hiertegen geen enkele rechtsbescherming bestaat.

In het arrest A. tegen Verenigd-Koninkrijk (17 december 2002) heeft het EHRM geoordeeld dat de parlementaire onverantwoordelijkheid (art. 58 Grondwet) niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Hetzelfde geldt dan ook voor de ministeriële onverantwoordelijkheid (art. 101, lid 2 Grondwet).

Twee bemerkingen hierbij:

  • Het EVRM biedt een minimum aan bescherming. Een staat mag dus ook altijd meer rechtsbescherming toekennen dan het minimum vereist door het EVRM.
  • Het arrest A. tegen Verenigd Koninkrijk is veel genuanceerder dan vaak wordt aangenomen. In paragraaf 86 van het arrest staat immers net dat in het Verenigd Koninkrijk er wel bepaalde procedures bestaan: “La Cour observe que les victimes de déclarations diffamatoires prononcées au Parlement ne sont pas totalement privées de voies de redressement. Lorsque les remarques litigieuses émanent du député de leur circonscription, ces personnes peuvent notamment adresser une requête au Parlement par l’intermédiaire d’un autre député en vue d’obtenir une rétractation. Dans des cas extrêmes, des déclarations délibérément fausses peuvent être sanctionnées par le Parlement comme un outrage envers lui. … La Cour estime que tous ces éléments sont pertinents pour la question de la proportionnalité de l’immunité dont a bénéficié le député en l’espèce”.
Lees hier de motie van Vuye en Wouters om een procedure in te stellen in het reglement van de Kamer teneinde de burger meer rechtsbescherming te bieden in het geval van parlementaire of ministeriële onverantwoordelijkheid.

In België bestaat niets van dit alles. En net daar is de heer Joris het slachtoffer van. Men gunt hem geen eerlijk proces voor de tuchtrechter, hij kan niet terecht bij de onderzoekscommissie en hij kan geen enkel rechtsmiddel instellen tegen minister Jambon en al evenmin tegen de Belgische Staat. Collega’s, dit is beschamend en een rechtsstaat onwaardig. De heer Joris is ten onrechte door het slijk gehaald. Hij en zijn familie hebben een bijzonder moeilijke periode meegemaakt en dit zonder enige mogelijkheid tot verweer. Iemand heeft inderdaad “geblunderd”, maar het was niet verbindingsofficier Sébastien Joris…

Mijn fractie stelt dan ook voor om de conclusies van de commissie op dit punt aan te vullen, zodat dit in de toekomst niet meer kan gebeuren. Het Parlement is geen schandpaal waar men mensen publiekelijk kan “kaltstellen”, zonder zich hiervoor te verontschuldigen zelfs wanneer nadien blijkt dat betrokkene alle regels heeft nageleefd. Dit moeten we in de toekomst vermijden. Vandaar dat de V&W-fractie een motie indient om in het Kamerreglement een procedure in te schrijven die de burger toch een vorm van rechtsbescherming biedt. In het Verenigd Koninkrijk bestaat dergelijke procedure, waarom zou dit dan bij ons niet kunnen?