In een ideale wereld zijn mensenrechten universeel, maar op onze planeet zijn ze dat niet

‘Kunnen we onze standaard inzake mensenrechten zomaar toepassen op andere landen? Dat lukt nooit’, stellen Veerle Wouters en Hendrik Vuye in een opiniestuk op Knack.be. ‘We kunnen onmogelijk alle slachtoffers van mensenrechtenschendingen opvangen. Bovendien lopen we het risico onze eigen standaard te verloochenen.’

Hoofdredacteur van ’t Pallieterke Karl Van Camp raakt een gevoelig punt aan in zijn interview in Knack (11 april 2018): ‘… als ik lees dat onder impuls van de N-VA er actieve hulp wordt geboden aan Tsjetsjeense homo’s in het islamitische Tsjetsjenië, dan rollen mijn ogen’. Hij voegt er aan toe dat er intussen in eigen land ellenlange wachtlijsten zijn voor aangepaste opvang van gehandicapten en dat Vlaamse leerkrachten voor overvolle klassen staan. Van Camp stelt hier de mensenrechten van de eigen bevolking, namelijk sociaal-economische grondrechten, tegenover de mensenrechten van Tsjetsjenen.

In een ideale wereld zijn mensenrechten universeel, maar op onze planeet zijn ze dat niet

Zijn mensenrechten dan niet universeel? In een ideale wereld zijn mensenrechten universeel, maar op onze planeet zijn ze dat niet. Het is een verworvenheid van het Westen. De meeste westerse democratieën hebben mensenrechten opgenomen in hun Grondwet, net omdat dit belangrijke rechten zijn. Continentaal Europa heeft er zelfs een juridisch instrument van gemaakt: het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM, 1950). Dit verdrag omvat een belangrijk deel van de normen en waarden die wij in het Westen hanteren. Het is het ius communevan de landen van de Raad van Europa, of het zou het toch moeten zijn. In de feiten is de mensenrechten-standaard binnen de Raad van Europa niet dezelfde. Men kan moeilijk de situatie in Turkije of de Russische Federatie op gelijke voet stellen met landen als België, Frankrijk of Nederland.

Naast dit juridische begrip mensenrechten bestaat er ook een politiek begrip mensenrechten. Het is een vaag begrip. Men vindt het bijvoorbeeld terug in een stelling als: Saudi-Arabië schendt de mensenrechten. Dit heeft niets te maken met het juridisch mensenrechten-instrumentarium dat we in continentaal Europa vorm hebben gegeven. Saudi-Arabië deelt gewoon niet het Westerse ius commune, het land heeft ook geen enkele band met het EVRM. Vele andere landen ook niet.

Homorechten zijn bij ons een fundamenteel recht. Het is wel een recht van recente origine. Pas vanaf de jaren tachtig heeft het Mensenrechtenhof een stevige rechtspraak uitgebouwd. Tevoren waren de beslissingen van de intussen afgeschafte Commissie voor de Rechten van de Mens oerconservatief. Zelfs klachten over wetgeving die homoseksuele contacten strafbaar stelt, werden steevast onontvankelijk verklaard. Intussen is dit veranderd. Homohuwelijk en homoadoptie worden in Vlaanderen niet meer in vraag gesteld.

Maar is dit ook de standaard die we moeten hanteren in onze contacten met andere landen? Dat is wat Karl Van Camp in vraag stelt. Hij heeft hier ongetwijfeld een punt. Dit geldt niet alleen voor homorechten, maar ook voor andere mensenrechten. Natuurlijk is het erg dat in vele landen mensen zonder proces worden opgesloten, dat vrouwen geen rechten hebben, dat religieuze minderheden vervolgd worden, dat vakbondsactiviteiten niet getolereerd worden, dat journalisten worden opgesloten… We moeten ons daar tegen blijven verzetten, maar dat is een zaak van internationale politiek en niet van binnenlandse politiek.

De fout die vele humanitaire organisaties maken, is dat ze de situatie in landen die onze normen en waarden niet delen, beoordelen aan de hand van onze standaard. 

De fout die vele humanitaire organisaties maken, is dat ze de situatie in landen die onze normen en waarden niet delen, beoordelen aan de hand van onze standaard. Sommigen koppelen er zelfs de conclusie aan dat we dan maar onze grenzen moeten openstellen en de slachtoffers van mensenrechtenschendingen opvangen.

Ook staatssecretaris Theo Francken (N-VA) trapt in deze val wanneer hij humanitaire visa verleent aan Tsjetsjeense homo’s. België blijkt een van de eerste landen te zijn die dit doet. Tsjetsjenië is een autonome republiek van de Russische Federatie en maakt deel uit van de Raad van Europa, maar is ook een van de slechtste leerlingen van de klas. Het Mensenrechtenhof heeft Rusland al veroordeeld voor miskenning van de homorechten. Hier moeten we politieke druk uitoefenen via de Raad van Europa, wat bijvoorbeeld Vlaams Parlementslid Piet De Bruyn (N-VA) ook daadwerkelijk doet en met een onvermoeibare inzet. Maar heeft het zin om de grenzen open te stellen voor vijf Tsjetsjeense homo’s? Zijn we hier niet gewoon ons geweten aan het sussen? Sluiten we ook niet onze ogen voor andere ongemakkelijke waarheden? Hoe is het bijvoorbeeld gesteld met de vrouwenrechten in Tsjetsjenië? Gaan we ook die slachtoffers opvangen?

Onze standaarden toepassen op andere landen is onhoudbaar. We kunnen onmogelijk een toevluchtsoord worden voor alle mensen die elders niet genieten van rechten die wij hier omschrijven als fundamentele rechten. Of gaan we humanitaire visa verlenen aan alle vrouwen van islamlanden? Gaan we humanitaire visa toekennen aan alle homo’s die bijvoorbeeld in Afrika worden mishandeld? Gaan we alle bedreigde religieuze minderheden naar Vlaanderen halen? Gaan we alle vakbondsactivisten en journalisten die vervolgd worden ook opvangen? Iedereen beseft dat dit niet kan.

Net door te focussen op een christelijke minderheid in Syrië en nu op Tsjetsjeense homo’s, schendt de regering een van onze belangrijkste eigen normen: het verbod te discrimineren op welke grond ook.

Hoe gaat de regering-Michel tewerk? Uit het laatste jaarrapport van het Federaal Migratiecentrum Myria blijkt dat onder de regering-Michel veel meer humanitaire visa worden uitgedeeld dan onder de regering-Di Rupo. In 2012 kent de regering-Di Rupo 208 humanitaire visa toe, de regering-Michel in 2016 maar even 1.182. Vaak worden enkele groepen zorgvuldig uitgekozen. Het is niet toevallig dat de de staatssecretaris net op Pasen aankondigt humanitaire visa te verlenen aan 600 Syrische christenen. Hij richt zich hier tot een deel van zijn kiezerskorps. Net door te focussen op een christelijke minderheid in Syrië en nu op Tsjetsjeense homo’s, schendt de regering een van onze belangrijkste eigen normen: het verbod te discrimineren op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke overtuiging, nationale afkomst… Want wat geldt voor beide groepen, moet volgens onze eigen standaarden ook gelden voor andere groepen, bijvoorbeeld voor vrouwen in islamlanden. Zo komen we tot de ultieme paradox: met dit zogenaamd humanitair beleid schenden we een van onze meest fundamentele regels, namelijk het discriminatieverbod.

We kunnen van mensenrechten een speerpunt maken van ons buitenlands beleid. We moeten daar voortdurend aandacht voor vragen. Het is belangrijk dat dit gebeurt. We kunnen dromen en zelfs hopen dat mensenrechten ooit universeel worden. Maar in afwachting dat deze droom ooit in vervulling komt, heeft het echt geen zin om onze standaarden toe te passen op andere landen. Hoe graag we het ook zouden willen, we kunnen onmogelijk alle slachtoffers van mensenrechtenschendingen hier opvangen. Wat we al zeker niet mogen doen is het discriminatieverbod schenden door selectief groepen anders te behandelen dan hun lotgenoten. Doen we dat wel, dan verloochenen we onze eigen standaard inzake mensenrechten.