Pastafarisme zet de vrijheid van religie op scherp

Foto (c) Niklas Jansson (Android Arts) [Public domain], via Wikimedia Commons

Een parodie kan confronterend zijn. Denk maar aan Monty Python’s Life of Brian. De Kerk van het Vliegend Spaghettimonster is een parodie op religie, terwijl deze kerkgemeenschap steevast volhoudt een religie te zijn. Ze eist dan ook dezelfde rechten op als de andere religies. En zo worden de zaken op scherp gesteld en gaan begrippen aan het schuiven, schrijven Veerle Wouters en Hendrik Vuye in een opiniestuk op Doorbraak.be.

Lang geleden weigert de stad Beringen een identiteitskaart af te leveren omwille van een pasfoto met hoofddoek. De zaak komt voor het Belgische Hof van Cassatie (2000). Het Hof beslist dat een ‘ontegenzeglijke godsdienstige reden’ voldoende is om een identiteitskaart afgeleverd te krijgen met een foto met hoofddoek.

Een omzendbrief van Binnenlandse Zaken stelt hierover: ‘Er doen zich af en toe problemen voor met foto’s waarop de persoon een sluier draagt. Er moet duidelijk worden gesteld dat de foto het mogelijk moet maken een persoon te identificeren en dat het gezicht dus niet gedeeltelijk verborgen mag zijn. Enkel om gerechtvaardigde medische of religieuze redenen, kan een foto met sluier worden toegestaan voor zover de essentiële elementen van het gezicht zichtbaar zijn’.

Een pasfoto met hoofddoek, keppeltje of een ander religieus symbool kan dus. Maar wat is een religieus symbool?

Een pasfoto met een vergiet op het hoofd

In Nederland weigert de gemeente Nijmegen een identiteitskaart en rijbewijs af te leveren aan een lid van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster. Op de pasfoto staat de dame met een vergiet op het hoofd. Zo doen pastafari’s dit nu eenmaal. Ze vecht de weigering aan voor de rechter. Ze vangt op 15 augustus bot bij de Nederlandse Raad van State. De Nederlandse wetgeving bepaalt nochtans dat een pasfoto met bedekt hoofd kan ‘indien de aanvrager heeft aangetoond dat godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen zich verzetten tegen het niet bedekken van het hoofd’.

Ook in België vangen de pastafari’s bot

Ook in België vangen de pastafari’s bot, bijvoorbeeld in Gent en in Hasselt. ‘Een hoofddeksel kan alleen als daarvoor een onbetwistbare religieuze of medische reden bestaat’, verduidelijkt de Gentse schepen van Burgerzaken Sofie Bracke (Open Vld) in 2016 in De Morgen. ‘Denk aan: een moslima met een hoofddoek, een sikh met een tulband, een patiënt die een speciale helm moet dragen’. Volgens Bracke is er wel navraag gedaan bij de federale overheid. ‘Daar beschouwen ze het pastafarisme niet als een echte religie, maar als een parodie daarop’.

In Oostenrijk, Tsjechië, Israël en Polen is wel al toestemming verleend om met een vergiet op het hoofd op een identiteitskaart of rijbewijs te prijken.

Het Vliegend Spaghettimonster: parodie als religie

Er is immers nooit aangetoond dat dit monster niet bestaat.

De Kerk van het Vliegend Spaghettimonster is opgericht in 2005 in de Verenigde Staten. Het is een reactie op de beslissing van de staat Kansas om naast de evolutieleer ook het scheppingsverhaal te onderwijzen. De pastafari’s argumenteren dat het heelal net zo goed kan geschapen zijn door het Spaghettimonster. Er is immers nooit aangetoond dat dit monster niet bestaat. De Kerk van het Vliegend Spaghettimonster is een parodie op religie, die zelf beweert een religie te zijn.

Deze Kerk parodieert gevestigde godsdiensten. Ze kent heilige boeken, waaronder The Gospel of the Flying Spaghettimonster, alsmedeThe Loose Canon, dat onder meer The Old Pastament, The New Pastament en The Official Pastafarian Prayer Book bevat. In The Gospel of the Flying Spaghettimonsterwordt verhaald dat deze godheid op een berg advies geeft aan Mosey, de eerste piraat, in de vorm van tien stenen tabletten. Op weg naar beneden laat Mosey twee van de  stenen tabletten vallen, zodat er nog maar acht over zijn. Elke tablet bevat een gebod (de ‘liever-nietjes’). Daar er twee tabletten gebroken zijn, kent de Kerk acht geboden.

Sommige mensen vinden ons geloof zot. Dat mag.

Op de webstek van de Kerk leest men: ‘Om ons geloof uit te drukken zetten we een vergiet op ons hoofd. Ook op officiële overheidsdocumenten. Sommige mensen vinden ons geloof zot. Dat mag. Maar in dat opzicht vragen wij ons af, waarom ons scheppingsverhaal — waarvoor meer wetenschappelijke onderbouwing is dan elk ander geloof — vreemder is dan alternatieve verhalen, waar bijvoorbeeld een man water in wijn veranderde, een man een zee beval in tweeën te splijten zodat een hele bevolkingsgroep in optocht kon passeren en een profeet ter paard met vleugels en een hoorn naar de hemel vloog. Wij komen samen in lokale kerken en tijdens evenementen. Onze diensten staan vooral in het teken van gezelligheid. Zo eten we pasta, drinken we bier en discussiëren we over het geloof en de maatschappij’.

Na een moeizame procedure is de Kerk van het Vliegende Spaghettimonster er in 2016 in geslaagd zich bij de Kamer van Koophandel te laten inschrijven als kerkgenootschap.

De Nederlandse Raad van State: het verdriet van het vergiet

De Nederlandse Raad van State verwijst in zijn arrest naar het satirische karakter van het pastafarisme. De Raad erkent het kerkgenootschap niet als een godsdienst. Een godsdienst veronderstelt ‘opvattingen die een zeker niveau aan overtuigingskracht, ernst, samenhang en belang bereikt hebben’. De Raad oordeelt dat dit niet het geval is voor het pastafarisme daar het satirische element overheerst.

Het administratief rechtscollege erkent wel ‘het grote belang om in vrijheid satirische kritiek te kunnen uiten op religieuze dogma’s, instituties en religies. Dergelijke kritiek, ook al heeft zij betrekking op godsdienst, is daarmee zelf nog niet aan te merken als een godsdienst’.

De Nederlandse Raad van State gebruikt de criteria die ook worden vooropgesteld door het Mensenrechtenhof. Godsdienstvrijheid geldt alleen ‘pour les convictions qui atteignent un degré suffisant de force, de sérieux, de cohérence et d’importance’.

College voor de rechten van de mens: het verdriet van de piraat

Hij wil echter promoveren in een piratenpak

De pastafari’s zijn niet aan hun proefstuk toe in het afdwingen van ‘hun rechten’. Michael Afanasyev is priester van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster en wil bij de TU Delft promoveren. Hij is ingenieur en zijn doctoraatsstudie gaat over het tegengaan van corrosie in de ondergrond met behulp van microbiologie. Hij wil echter promoveren in een piratenpak, de officiële kledij van de pastafari’s bij plechtige gelegenheden. Er bestaat een dresscode aan de TU Delft: de promovendus moet een zwart rokkostuum dragen met wit vest en wit strikje. In bijzondere gevallen kan de rector toestemming geven voor andere kleding, maar in dit geval weigert hij.

De promovendus richt zich tot het College voor de Rechten van de Mens, een onafhankelijke toezichthouder op de mensenrechten in Nederland. Het College wijst zijn verzoek af: ‘Verzoeker heeft aan het College niet kunnen uitleggen waarom de universitaire promotiezitting zou moeten worden gezien als een gelegenheid waarop de leer van de Kerk wordt onderwezen’.

Hoe de pastafari’s de rechters in het verweer dwingen

De rechters gaan met groot gemak in de fout.

De pastafari’s dwingen de rechters om het begrip religie nader te omschrijven. Wat blijkt? De rechters gaan met groot gemak in de fout. Het College voor de Rechten van de Mens stelt bijvoorbeeld dat een universitaire promotie geen gelegenheid is om een godsdienstige leer te onderwijzen. Hetzelfde argument moet dan natuurlijk ook gelden voor andere religies in andere aangelegenheden. Wat dan met ambtenaren, al dan niet achter het loket, met een hoofddoek of een keppeltje? Wat met de hoofddoek op de werkplaats? Ook dit zijn toch geen gelegenheden om een godsdienstige leer te onderwijzen?

Klassiek wordt steeds gesteld dat de rechter de inhoud van een religie niet mag beoordelen. Het is niet aan de rechter om uit te maken wat orthodox is en wat niet, dat kan alleen de religieuze overheid bepalen. Maar wat doet de Nederlandse Raad van State anders dan de inhoud van het pastafarisme beoordelen om te besluiten dat het geen religie is? Gaat de rechter voortaan ook stromingen binnen de islam, binnen het christendom, binnen het jodendom… beoordelen op hun religieuze ernst?

Wat met religieuze kledij? Een vergiet op het hoofd is geen religieus symbool, dat lijkt evident. Maar valt dit wel zo makkelijk te beoordelen? Men aanvaardt wel heel makkelijk dat een boerka of een boerkini religieuze kledij zijn. Maar is dat wel zo? Er zijn vele moslima’s die zich niet zo kleden. En wat met handjesgeven? Ook hier aanvaardt men zomaar dat dit een religieuze handeling is. Denk maar aan wat Kris Peeters (CD&V) is overkomen met zijn kandidaat Aron Berger. Of deze kop in De Morgen over een case in Zweden: ‘Moslima die hand van man weigerde te schudden tijdens sollicitatie krijgt schadevergoeding’. Dit is blijkbaar een religieuze handeling, terwijl de overgrote meerderheid van de moslima’s en joden wel handen schudden.

Rest de vraag waarom iemand die een religie aanhangt bepaalde rechten verkrijgt die anderen geweigerd worden. Zo heeft de TU Delft wel al toegelaten dat een kandidaat zijn doctoraat verdedigt met een keppeltje. Maar wie geen religie aanhangt of wiens religie niet wordt erkend, moet de dresscode strikt naleven. Is dit wel logisch?

De pastafari’s hebben in ieder geval de grote verdienste deze zaken op scherp te stellen.

De pastafari’s hebben in ieder geval de grote verdienste deze zaken op scherp te stellen. Trekken ze de dingen wat op flessen? Waarschijnlijk wel. Maar hun religieuze parodie is ontluisterend voor de religies en vooral voor de manier waarop onze maatschappij met religie omgaat. We botsen ook op het verschil in behandeling tussen het recht op vrije mening en de vrijheid van religie. Indien het pastafarisme geen religie is, dan nog kunnen de pastafari’s zich beroepen op hun recht op vrije mening.

De Nederlandse Raad van State erkent alvast het belang van de vrijheid satirische kritiek te kunnen uiten, dit als toepassing van het recht op vrije meningsuiting. Dit recht is evenwaardig aan de vrijheid van godsdienst. Toch weigert men een pasfoto met een vergiet. Ook de vakbondsleider die met een petje van zijn vakbond op de pasfoto wil, zal bot vangen. In beide gevallen zijn nochtans de ‘essentiële elementen van het gezicht zichtbaar’, wat het criterium is in de Belgische omzendbrief. Waarom mag een hoofddoek dan wel, maar een vergiet niet? Waarom heeft een parodie op religie die gebruik maakt van het recht op vrije meningsuiting minder bestaansrecht dan een religie die zich beroept op de vrijheid van religie? Beide mensenrechten zijn toch evenwaardig?

Wat de pastafari’s alvast aantonen, is dat er een veel te ruime invulling wordt gegeven aan de vrijheid van religie. Op grond van die vrijheid bekomt men zaken die men niet kan bekomen op grond van het recht op vrije meningsuiting. Dit is alvast alles behalve evident. Wat zou het toch makkelijk zijn indien voor iedereen dezelfde regels gelden. Dat hoort toch zo te zijn in een democratie?